Grote voeten

Ineens bevond ik mij tussen wandelaars. Links en rechts schoten ze mij voorbij. Hun snelheden lagen tussen rennen en overdreven doorstappen.
Speedy volkje.
Eén hield zijn gezicht tot vlak bij de grond. Een ander legde het hoofd in de nek en maaide met zijn armen iedereen van de weg die niet snel genoeg opzij stapte. Nog weer een wandelaar smeet haar benen naar voren en zweefde er met de rest van haar lichaam achteraan. Ik liep in de weg, dat was duidelijk.
Vanaf een hekje bij een weiland gezeten, zag ik het wandelfestijn op het anders zo stille boerenweggetje een tijdlang aan. Mijn vooroordeel dat wandelverenigingen hun ledenaanwas danken aan doorverwijzingen van huisartsen en medisch specialisten kreeg af en toe een krachtige bevestiging. Verbeten, zorgelijke koppen. Steunzooldragers met x- en y-benen. Reumatisch vergroeide ruggen met stram harkende onderdanen. Rachitisch kromgetrokken spillebenen. Fanatieke, op één punt gerichte blikken achter de jampotbodems van een ziekenfondsbril.
Maar na de verspreide kopgroep van snelheidsduivels nam de indruk van armoedigheid en gezondheidsklachten af. Er verschenen nu wandelaars die om zich heen keken en groetten. Ze droegen ook niet allemaal meer die eeuwige linnen tasjes. Na een tijdje werd het gezellig. Groepen met elkaar keuvelende en zingende vrouwen. Paren in uniseks gekleed, lopend in gelijk verende, opgewekte pas.
Nog weer later vielen er gaten in de wandelkaravaan. Stelletjes wezen elkaar op scholeksters die een kraai van hun nest probeerden weg te jagen en vertraagden hun tempo om te zien hoe het zou aflopen. Een jonge man deed een manke na, tot hilariteit van zijn vriendin. De wandelaars droegen gekleurde windjacks en lang niet allemaal meer bergschoenen. Eén loper floot een aria. Het slot van La Traviata van Guiseppe Verdi als ik mij niet vergiste.
En toen zag ik Bibi.
Zorgeloos en zomers. In haar lichtblauwe jasje. Met een kek en felrood rugzakje achterop. Een blos van de buitenlucht sierde haar wangen. Naast haar beende Martin, slungelig ontspannen, bijna slenterend vergeleken met de korte stapjes van zijn echtvriendin.
“Hé Kees!” groette Bibi enthousiast. De twee kwamen lachend naar me toe en beantwoordden blijmoedig al mijn vragen over de plaats en het tijdstip waarop ze waren vertrokken en de route die ze hadden afgelegd. Ze bleken er al vijftien kilometer op te hebben zitten. Het was een mooie tocht. Ze praatten honderduit en oogden alsof ze net aan de wandeling waren begonnen. Ze leken de tijd te vergeten en ik moest ze aansporen om niet alle contact met de sliert van lopers te verliezen.
Toch wel een gezonde sport dus. Al had Martin misschien..., nou ja... bij zijn lengte...

juni 2005
<< Home