Dood en taal

Voor het aansnijden van pijnlijke onderwerpen gebruik je liefst verhullende woorden. Ambtenaren zijn er extra goed in. Een bezuiniging heet in hun jargon een taakstelling en niet zelden omhullen zij het afknijpen van subsidies met uitgebreide teksten over strategische beleidskaders, basisvoorzieningen en nieuwe pijlers van beleid.
Hoeveel te meer geldt het verlangen naar verdoezeling bij een onderwerp als de dood. Een ongeneeslijk zieke hond om het leven brengen gebeurt in termen van ‘een spuitje geven’ of ‘laten inslapen’. De wrede slachtpartijen die de overheid aanricht bij besmettelijke veeziekten als mond- en klauwzeer, varkenspest of kippengriep, heetten eufemistisch ‘het ruimen van bedrijven’.
Gaat het om de mens, dan zijn zulke termen nog te gevoelig of doen ze je te gauw denken aan de dood van dieren. Dan nemen wij onze toevlucht graag tot wetenschappelijk klinkende abstracties. Euthanasie. Suïcide. Zoals hoererij beter prostitutie kan heten als je er geen waardeoordeel aan wilt verbinden.
Toch is ook het verhullen een precaire bezigheid. Je kunt er gemakkelijk te ver in gaan. En dan wordt het huichelen.
Instellingen die beroepsmatig met de dood te maken hebben, zoals uitvaartondernemingen (prachtig woord), lijkverbranders en grafdelvers, letten goed op dat zij met hun niet-helemaal-zeggen-wat-ze-bedoelen niet over het randje van de goede smaak tuimelen. Zo ook begraafplaats en crematorium IJsselhof.
Van deze instelling kreeg ik een brief over het ruimen van het graf van mijn moeder. Een keurige standaardbrief met een persoonlijke toets, waarin woorden als lijk, gebeente, skelet, verbranden of dood keurig ontbraken. Een knap opgestelde brief die toch aan duidelijkheid niets te wensen overliet. Zou ik geen actie ondernemen, dan werden de stoffelijke resten van mijn moeder herbegraven in een verzamelgraf. Niet in een massagraf. Wilde ik de inmiddels waarschijnlijk wel heel schamele resten van mijn moeder een andere plek geven, dan waren er verschillende mogelijkheden. Cremeren kon ook. Eventueel mocht ik de as verstrooien op ‘een geliefd plekje’.
Slechts één foutje maakte de gemeentelijke lijkbezorger. Een kleine overdrijving. Zijn brief spreekt van ‘graven waarvan de rusttermijn is verstreken’. De rusttermijn van graven. Alsof niet mijn moeders kale beenderstelsel, maar meneer zijn graven een beetje heilig zijn. En alsof de hoogedele graven van Holland hun middagdutje erop zit.

mei 2004
<< Home