Ambtenaar

In mopjes is hij lui of werkschuw. Van de verschillende soorten overheidsdienaren lijkt degene die bij een gemeente werkt wel de grootste sul. Mensen die een ambtenaar van nabij kennen, oordelen gelukkig milder of maken een uitzondering voor deze ene. Net als mensen die mopperen op buitenlanders, maar hun Marokkaanse buurman prijzen.
Soms achtervolgt het verleden mij en zie ik mij geplaatst tegenover opgetrokken wenkbrauwen. Jij bij de gemeente? Was jij niet zo’n rebel die huizen kraakte, betoogde en affiches plakte? Was jij niet de schrijver van opstandige blaadjes, een actievoerder? Alsof degene die mij aanspreekt niet kan vatten dat je meerdere maatschappelijke rollen kunt vertolken. Alsof ik van mijn geloof zou zijn afgevallen, mijn opvattingen verloochen.
Sommige kennissen van vroeger gaan verder dan verbazing. Die tonen afkeuring. Dat zijn degenen die nog geloven in de Tegenmaatschappij. In een parasitaire samenleving die de hoofdstroom uitholt. Die zich nooit ofte nimmer zullen conformeren aan het kapitalisme. Die weigeren een vaste baan te zoeken. Die schelden op de blinde consumptiewoede van de massa. Het is nog maar een handjevol. Een paar zijn vroeg overleden na intensief drugsgebruik. De meesten zijn op zeker moment schoorvoetend aan de gehate maatschappij gaan meedoen. Het nietsdoen zonder uitzicht op de gedroomde heilstaat maakte hun levens zinloos en in de kunstzinnige of sociale sector bleek na enig zoeken toch wel een aardige baan voorhanden.
De echte diehards zijn zielige gevallen geworden. Een van hen lijdt aan een ziekte. Op straat kan ik al van veraf zien of hij die dag zijn roeping volgt. Dan stapt hij met geagiteerde passen over de Markt of de Kleiweg, zijn hoofd opgeheven en in felle rukken naar links en rechts draaiend. Dan kijkt hij met profetische minachting neer op de winkelende menigte. Dan begint hij te grommen zodra hij mij gewaar wordt. Dan groeit het volume van zijn stem als hij luidop zegt: ‘Gemeenteambtenaar. Overloper.’ Dan weergalmt even later zijn goddelijke woede tegen de huizenwanden. ‘Vuile NSB’er!’
Op andere dagen buigt hij zich glimlachend naar mij toe en groet hij mij nederig. Al te nederig.

januari 2003
<< Home