Stukje worst

'Slager, krijg ik een stukje worst?' De weg van school naar huis was soms geplaveid met plezierigheden. Dan lagen er mallen bij het afval van de aardewerkfabriek die je net zo lang op de grond liet vallen tot er brokken krijt overbleven die in je zakken pasten. Dan stond de deur van de timmerman open. Dan liet het meisje van een andere school zich Achter de Kerk in een hoekje van steunbeer en kerkmuur klemzetten en net zolang met lelijke woorden door haar oren verkrachten tot zij in panisch huilen uitbarstte, haar bril scheef, haar jonge borstjes schokkend onder haar vrolijk gekleurde truitje. Dan stonden ergens de paarden van Van Gend en Loos te zeiken en dan keek je die Belgische knollen net zo lang strak in de achter hun manen verborgen ogen tot ze ineens met hun zware hoeven over de stenen begonnen te schrapen.
En dan lachte de slager. Ook al waren je ouders geen klant, Van Sprang kon jouw hoopvolle kinderglimlach niet weerstaan. Van de acht of tien slagers die vroeger op de Lange en Korte Tiendeweg zaten, is alleen hij nog over, net zo klantfris en vriendelijk als destijds. Alleen in een jongere uitvoering. Enkel op vrijdag deed Van Sprang wel eens moeilijk. Op vrijdag keek hij je ernstig aan en wilde hij weten of je katholiek was. Als ik later bij mijn ouders informeerde waarom de slager dat vroeg, kreeg ik te horen dat het de roomsen verboden was om op vrijdag vlees te eten en dat zij dit verwerpelijke paapse verbod massaal ontdoken door vis te consumeren en dat het geen pas gaf om als een fatsoenlijke christenjongen bij een slager, en dan nog wel een slager van de roomse gezindte bij wie wij nooit iets kochten, te bedelen. Bedelen was verkeerd en dit was op diverse manieren extra fout. Deze uitgelokte preek kroonde op vrijdag mijn plezier. De wereld was grillig, maar ik kreeg er steeds meer greep op.

november 1998
<< Home