Straatfiguren

Gouda's nieuwe straatfiguren zijn vrouwen. Eén zwerft met een fiets door de binnenstad, de andere paradeert met een grote plastic AH-tas.
De vrouw met de fiets voedt zich met ijs. Verpakt ijs, Italiaans ijs, softijs. Ik zie haar op ieder uur van de dag, ook 's ochtends vroeg en 's avonds laat, maar ik reken haar niet tot de daklozen. Aan haar fietsstuur hangt een slap linnen tasje. Zij behoort tot de categorie werklozen bij de Waag, vermoed ik. Soms sluit zij zich wel eens aan bij deze Olympische goden van het Marktplein, teneinde de wereld te becommentariëren. Als je naar haar kijkt begint ze tegen je te praten.
De andere, de wandelaarster met de big shopper van AH die tegenwoordig kwiek door Gouda's straten marcheert, oogt als een aan lager wal geraakte onderwijzeres. Van afstand ziet zij er gezond en levendig uit, van dichtbij minder. Dichtbij valt op hoe waterig haar ogen rondwaren en hoe onoprecht haar belangstelling voor etalages is. Zij draalt bij winkeluitstallingen om te laten zien dat zij niet gek is en niet zwerft. Hoewel deze vrouw klaarblijkelijk haar hele bezit met zich meetorst, verdwijnt zij 's avonds uit het straatbeeld. Haar gekreukte plastic tas herbergt een bloemetjesjurk voor zomerse dagen en een lange broek en vest voor killere omstandigheden. Haar jas drapeert zij bij warm weer netjes opgevouwen over haar arm.
Op de wandelaarster kun je de klok gelijkzetten. Iedere middag om vier uur strijkt zij neer op het bankje voor mijn huis, waar zij twee uur lang in de kraag van haar jas gedoken blijft zitten, in weer en wind, als een gier observerend hoe de suppoost van het museum zijn sigaretje rookt en hoe opgefokte dames bij sportclub Living Well springen en schreeuwen. Oogcontact vermijdt zij. Ik heb haar nog niet kunnen groeten.
Eén kenmerk hebben de nieuwe Goudse zwerfsters gemeen. Dat is hun netheid. De wandelaarster met de AH-tas raapt voor zij op de bank aan het Havenwater plaatsneemt alle papiertjes en peuken rondom op en deponeert ze in de afvalbak. De vrouw met de fiets doet haar best om elk ijspapiertje dat zij overhoudt in een vuilcontainer te proppen, ook als die bak overvol zit en zij haar glimmend-nette damesrijwiel ervoor op de standaard moet zetten.
Vroeger had je mensen die dachten dat ze Napoleon waren en eiste de godsdienstwaanzin zijn tol, tegenwoordig maakt het milieu slachtoffers.
Ik moet ineens ook denken aan de man in driedelig krijtstreeppak die vorig jaar een tijdlang met een vuilniszak en werkhandschoenen aan door de stad liep. Volgens zeggen zou hij gemeentesecretaris zijn van een plaats op het platteland. Waar is die keurige mijnheer gebleven? Bukt hij zich tegenwoordig op het binnenplein van een inrichting?

november 1997
<< Home