Eerste sigaret

Mijn eerste sigaret was een Miss Blanche. Ik weet het nog goed, want die sigaret is verbonden met twee andere herinneringen.
Het was op woensdagmiddag. Een paar leeftijdgenoten en ik wachtten op de betonnen verhoging van de sluis bij het Tolhuis tot wij terechtkonden aan de Punt, waar wij een toneelstukje zouden oefenen. Stoer werd mij een rokertje geoffreerd en even stoer bewoog mijn hand naar het halve doosje. Een paar sigaretten vielen op het beton en voor het aansteken waren drie lucifers nodig, maar pas daarna kwamen de echte problemen. Wat kostte het mij moeite om de verstikkende walm van het blanke juffertje voor even in mijn mond te houden, niet verder te laten komen dan tot daar en vervolgens zonder hoesten naar buiten te blazen. Wat een bittere teer plakte op mijn verhemelte, wat een golven van misselijkheid stuwden elkaar omhoog. Hoe kon ik de achteloosheid blijven voorwenden waarmee ik de Miss had geaccepteerd? Af en toe kokhalsde ik, dan weer moest ik kuchen. Toch behield ik de illusie dat mijn kornuiten niet opmerkten dat het mijn eerste was. We keken naar het verkeer op de Nieuwe Veerstal en zeiden af en toe iets deskundigs over een automerk. Ik overleefde, gered door het verschijnen van de leider van ons gelegenheidstoneel. Mijn eerste sigaret vond een voortijdig einde achter mijn rug.
In de Volmolen op de Punt wachtte mij een nieuwe verrassing. Amper bekomen van de sigaret bleken honderden volvette kazen een nieuwe kwelling. Hun geur was niet vies, maar te sterk. Ik ervoer deze bedwelming als nog misselijkmakender, nog gruwelijker dan de eerste. Gebogen, kleingeperst onder de zoute, schimmelige lucht, verdwaasd door zoveel producten van koeienlijven, slaapwandelde ik achter mijn kornuiten aan door schemerige krochten van kaasplanken en gangetjes.
Het kantoortje waar wij uitkwamen was de derde ervaring, verbonden aan mijn eerste sigaret. Ineens stond ik voor hoge ramen die uitkeken op het Houtmansplantsoen en op een slootje met een waterval, een watertje dat onder mijn voeten leek te ontspringen. Plotseling zag ik vanaf voorname hoogte en uit een perspectief dat ik niet kende de plaats waar ik altijd indiaantje speelde en verstoppertje, kastanjes zocht en witte besjes in de nekken van voorbijgangers schoot. De takken waaronder ik mij had schuilgehouden sloegen tegen de ramen, ramen die ik nog nooit had opgemerkt. Hoe dikwijls had iemand mij vanaf deze positie gadegeslagen?
Hoewel nog een beetje draaierig, viel het toneelspelen mij niet moeilijk. Een pruik van uitgeplozen touw, een leeg brilmontuurtje en de Valkenburgse wandelstok van mijn opa maakten van mij een oude man. De brandende nicotine op mijn verhemelte gaf betekenis aan de meerschuimen pijp in mijn hand, af en toe kuchte ik als een bejaarde. Baaltje heeft er tabak van, heette de klucht. Of heb ik dat er bij verzonnen?

december 1997
<< Home