De Raam

Toen ik elf was, ik bedoel elf jaar oud, werd de Raam gedempt. Houten damwanden, overdwarse dennestammen om de wallekanten te schoren, graaf- en heimachines, stinkende aarde, vochtig zand en een oorverdovend lawaai. En op wat restte van het Raamwater: schuim. Geel, smerig schuim. Alles draaide plotsklaps om de gapende muil die iedere maand opschoof en die veel dieper de aarde instak dan de grachtbodem ooit had gedaan. Om een gat waarin mannen met overalls en helmen, geassisteerd door een hijskraan, brok na brok van een onwaarschijnlijk dikke pijp legden. Om een gat waarin de rammelende ophaalbruggen, de door het water schemerende fietssturen, verfblikken en bleekmiddelenflacons, de smalle kades met hun ongelijke, door krijt van aardewerkfabrieken overdekte bestrating - een gat waarin alle mysteries van de Raam verdwenen. Aanhollend door een steeg uit de Keizerstraat werd ik tot stilstand gegromd door de graafmachine, tot halt gedonderd door een brakende laadbak, tot inertie gedwongen door het kreunen van een balk onder de slag van zijn beul. Pas toen alles klaar was, zag ik de omgeving terug. Verschrikkelijk. Wat oogden de grachthuisjes ineens klein en vervallen. Wat was de schaal van de bebouwing plotseling misplaatst. Zonder weerspiegeling van wolken was de Raam niet meer dan... breedte. Niet anders dan onbehaaglijke wanverhouding en leegte. Er was een gaping ontstaan die zich niet liet vullen met auto's.
Nu, vijfendertig, veertig jaar later, vallen mij nog altijd die breedte, die wanverhouding en die leegte op. Er is niets veranderd. Zelfs op de plaatsen waar woonblokken verrezen die concurreren met de wijdte van de straat, blijft de orde gestoord. Het lijkt erop dat niemand durft te besluiten tot een massieve, dubbele, donkere rij bomen. Of tot een nieuwe gracht. Parkeerplaatsen of een woonerf, dat is ons lot. Democratie, zogezegd. Inspraak.

januari 1996
<< Home